Het Begijnhof

Het Begijnhof dateert van ca. 1261 toen pastoor Arent van Sassenheim zijn huis, erf, weiden en boomgaard afstond aan een gemeenschap van begijnen, afkomstig uit Luik. De stad Haarlem telde toen toen zo´n duizend inwoners, die kerkten aan ´t Sant, dat nu voor een deel de Grote Markt is. Het Begijnhof was geen klooster of hofje maar een gemeenschap van vrouwen die een religieus en kuis leven leidden. De naam begijn zou afgeleid zijn van Beghini en niet van de Heilige Begga, wat vroeger werd aangenomen. De begijnen vormden een heel eigen leefgemeenschap in het hof, dat een compositie van straatjes en gaarden was, omsloten door een muur met de voorpoort aan de huidige Lange Begijnestraat, een achterpoort aan de Bakenessergracht en nog een zijpoort aan de Jansstraat. Bekend is dat 56 huizen bewoond werden door begijnen en dat er vijf conventen (gemeenschappelijke woningen) waren voor onvermogende begijnen. In een daarvan woonden de meesteressen, in de vier andere woonden acht tot twaalf arme begijnen. Het Begijnhof had een eigen bakhuis, wachthuis, slachthuis, een poorthuis en zelfs een brouwerij. De huidige Waalse Kerk aan het Begijnhof nummer 30 was toentertijd het gebedshuis van de begijnen en heette toen nog Begijnenkapel of Begijnenkerk.
Bij de grote stadsbrand van 1347 werd het grootse deel van Haarlem verwoest, inclusief hof en kerk, die in vlammen opgingen. Nog geen jaar later was de kerk al ten dele herbouwd.
In 1356 werd op de woensdag na St. Aachten een handvest aan de begijnen uitgereikt, waarin zij onder de bescherming van de stad werden genomen, maar waarin tevens werd vastgesteld, dat wanneer een begijn stierf, het huis niet door de erfgenamen verkocht of afgebroken mocht worden. Ook bij leven mochten de bewoonsters hun huis niet laten afbreken.
Het Begijnhof had de status van autonome parochie met een eigen pastoor en ressorteerde onder de wereldlijke en niet onder de kerkelijke macht. Wanneer de aangenomen ´maechden´ anderhalf jaar op het hof gewoond hadden, haalden ze bij de schepenen van Haarlem hun ´falybrief´ en vanaf dat moment waren ze ´verwillecoerde Beghijnen´. Na zeven jaar werden ze volkomen als leden van de geestelijke vergadering erkend en kregen de naam ´ontfanghen Beghijnen´.
Op 3 juli 1572 koos het Haarlemse stadsbestuur de zijde van de Prins van Oranje tegen de Spanjaarden. Van 4 juli tot 6 augustus werden alle kloosters geplunderd met uitzondering van de Bavo, de St. Janskerk en het Begijnhof. Het beleg van Haarlem door de Spanjaarden in 1572/73 maakte ook slachtoffers onder de begijnen. Burgemeestersdochter Ursel Thalesius, een vroom begijntje, werd met handen en voeten gebonden de Bakenessergracht in gegooid en verdronk.
Bij de grote brand van Haarlem in 1576, vermoedelijk veroorzaakt door Spaanse militairen, ging het Begijnhof in vlammen op. Van het oorspronkelijke hof is nog één huis en de kerk bewaard gebleven, alle andere gebouwen zijn van na 1576. Twee jaar na de grote brand, op 29 mei 1578, vond de Haarlemse Noon plaats, een opstand van protestanten tegen katholieken. De beeldenstorm raasde al vanaf 1566 over Holland maar was tot dan toe aan Haarlem voorbij gegaan. De Haarlemse Noon wordt gezien als verlate beeldenstorm. De soldaten van de Prins van Oranje bestormden de Bavokerk op de Grote Markt, het begin van de Reformatie in Haarlem. Tot 1578 telde Haarlem negentien rooms-katholieke kloosters en het Begijnhof. Na de Reformatie werd het katholieke geloof verboden, het interieur van de kerken vernield en alle kerkelijke goederen verbeurd verklaard. De kloosterlingen en begijnen zochten hun toevlucht in het ondergrondse en in schuilkerken. De begijnen weken uit naar een clandestien kapelletje dat in de woning van Meesteres Cornelia Jansd. Verwers werd ingericht en kerkten daar nog tot 1615.
Inmiddels waren poorten en omheining van het hof weggebroken. Het was tussen Jansstraat en Bakenessergracht een open hof geworden. De begijnen trokken zich gaandeweg terug in de zogenaamde Kloppenpoort (later Klopperspoort geheten), een smal straatje dat vanuit de Jansstraat via een binnenpleintje naar de Bakenessergracht liep. Aan dat pleintje richtten zij een bidplaats in, een kapelletje ter ere van de Heilige Begga, dat achter Huize Roodenburgh lag. Dit laatste was een groot pand op de hoek van de Jansstraat dat in bezit was van de begijnen.
In 1582 werd de Begijnekerk in gebruik gegeven aan en bewoond door Vlaamse vluchtelingen. De begijnen mochten levenslang in hun huizen blijven wonen, maar na hun dood vervielen de goederen echter aan de stad. In 1590 werd de kerk ter beschikking gesteld aan de Waalse Gemeente, die in 1596 eigenaar werd van het godshuis.
Na het overlijden in 1635 van de laatste begijn die aan het Begijnhof woonde was het gehele hof in bezit van de stad gekomen. De begijnen vestigden zich vanaf die tijd aan de lange Poort.
Tot en met het pestjaar 1663 werd op het kerkhof op het Begijnhof begraven.

[bronnen: De Restauratie van de Waalsche kerk en het Begijnhof te Haarlem met historische bijzonderheden, Mr A.J. Enschedé, Haarlem 1939 / Sint Josephkerk Haarlem 150 jaar, 1843-1993, kroniek van de kerk op het Begijnhof, W. Helversteijn, Haarlem 1993]

Begijnhof, oostzijde. Aquarel van W.Mol uit 1820

Begijnhof, oostzijde. Aquarel van W.Mol uit 1820

Begijnhofkapel (foto: Annemarie Ebeling)

Begijnhofkapel (foto: Annemarie Ebeling)