De Waalse kerk

Dit - van oorsprong katholieke - godshuis is de oudste kerk van Haarlem. Het gebouw, aanvankelijk Begijnenkapel of Begijnenkerk geheten, maakte deel uit van het voormalige Begijnhof, dat in 1262 werd gesticht door Arent van Sassenem (of Sassenheim). Deze pastoor van de kerk op de Grote Markt schonk daartoe zijn zes hectare metende tuin met huis, boomgaard en weiland. Het exacte bouwjaar van de kerk is niet bekend, maar in 1272 stond hij er in elk geval, want voornoemde pastoor is er begraven in dat jaar.
In 1347 richtte een grote stadsbrand enorme schade aan, maar het pand werd reeds in het jaar daarop hersteld. In 1388 werd een nieuw hoogkoor gerealiseerd. De toren van de verbouwde en vergrote kerk dateert van 1398. In 1420 kwam er een tribune voor de begijnen en een sacristie.
Ten tijde van de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648) dwongen de Spanjaarden de Belgische protestanten zich te bekeren tot het katholieke geloof. Degenen die dit weigerden werden zwaar vervolgd. Meer dan honderdduizend van hen sloegen op de vlucht. De meesten kwamen uiteindelijk in Nederland terecht, waarvan zo’n twintigduizend in Haarlem. In 1586 werd het begijnwezen door het Haarlemse stadsbestuur verboden en werd het koor van de Begijnekerk in gebruik gegeven aan de - hervormde - Franstalige Waalse gemeente, die bestond uit vluchtelingen die zich vanuit België in Haarlem hadden gevestigd. In 1661 kreeg de Waalse Gemeente ook de beschikking over de sacristie.
Het schip van het - inmiddels Waalse kerk geheten - godsgebouw kreeg diverse bestemmingen: als opslagplaats voor munitie en later als zogenaamde looihal voor het lakenkopersgilde. Hier werden de loodjes aan het laken bevestigd, als een soort keurmerk, door de looiknecht. Deze woonde in de hal. Na zijn vertrek kreeg de Waalse Gemeente in 1767 het westelijk deel van de kerk in eigendom.

Lange Begijnestraat en Waalse Kerk, ingang zuidzijde. Aquarel van H.P.Schouten, ca.1780

Lange Begijnestraat en Waalse Kerk, ingang zuidzijde. Aquarel van H.P.Schouten, ca.1780


In de zeventiende eeuw nam ook de vervolging van Franse protestanten toe. In 1685 ontnam de Franse overheid hen, met het intrekken van het Edict van Nantes, de laatste restjes geloofsvrijheid. Dit leidde tot een grote vluchtelingenstroom van de zogeheten ‘Hugenoten’. Tussen de vijftienhonderd en tweeduizend Franse Hugenoten kwamen naar Haarlem en sloten zich aan bij de Waalse kerk. De Waalse gemeente had een eigen kerkenraad en diaconie. Ze regelde dus zelf de armenzorg en benoemde, meestal in overleg met het stadsbestuur, eigen Franstalige predikanten. De eerste daarvan was de Belg Jean Taffin die in 1586 aantrad. Een speciale status hadden de Hugenootse predikanten die bloot hadden gestaan aan de gruwelijkste vormen van vervolging (doodstraf of galeislavernij). De Nederlandse Republiek stelde subsidies beschikbaar om hen bij de Waalse Gemeentes aan te stellen. Rond 1690 had Haarlem daardoor wel zeven Franstalige predikanten.
De Waalse kerk was, tot ver in de achttiende eeuw, een echte vluchtelingenkerk. De Waalse vluchtelingen hoopten ooit terug te kunnen keren naar hun eigen steden en dorpen. Ze verwachtten dat de Nederlandse troepen ook het door de Spanjaarden beheerste België zouden veroveren. Dat gebeurde echter niet en onze zuiderburen bleven in de greep van de katholieke contrareformatie. Langzaamaan werd duidelijk dat deze vluchtelingen in Nederland zouden blijven en zich aan de Nederlandse verhoudingen moesten aanpassen. Het gevolg daarvan was dat de kinderen en kindskinderen van de eerste generatie vluchtelingen het Frans afleerden en zich aansloten bij de Nederlandstalige kerk. In de zeventiende eeuw leidde dat echter nog niet tot een algehele leegloop van de Waalse kerk. Tot ongeveer 1620 kwamen er nog steeds nieuwe eerste generaties vluchtelingen uit België en daarna nam het aantal gereformeerde vluchtelingen uit Frankrijk snel toe.

foto: Annemarie Ebeling

foto: Annemarie Ebeling


In de achttiende eeuw droogde het aantal vluchtelingen uit het zuiden op. Kinderen en kindskinderen stapten over naar de Nederlandse kerk. De Waalse gemeente bleef bestaan als een kleine kerk voor de elite die in de achttiende eeuw, en ook wel daarna, de Franse taal en cultuur omarmde. Nu nog wordt er in de Waalse kerk wekelijks een Franstalige kerkdienst gehouden.

In de kerk zijn op de balken en spanten oude schilderingen te zien. De oudste muurschildering in Haarlem bevindt zich hier: de drie Maria’s op paasmorgen. Er zijn aanwijzingen voor, dat zij is gemaakt door kunstenaars uit het St. Jans-klooster, tot wie Geertgen tot Sint Jans (ca. 1460/65 - 1488-93) heeft behoord.
Het orgel dateert van 1808 en is gebouwd door de Goudse orgelbouwer Johan Caspar Friedrichs, geboren in 1762 te Duitsland. Hij vestigde zich als schrijnwerker in Gouda, waar hij in 1825 stierf.



[bronnen: De Restauratie van de Waalsche kerk en het Begijnhof te Haarlem met historische bijzonderheden, Mr A.J. Enschedé, Haarlem 1939; Waalse kerk Haarlem Begijnenkerk 400 : 1585-1986, L.V. Ledeboer, C. Rozemond, Kees Rosenhart en A.H.M. de Jong, Haarlem 1986 en Meer dan Steen. De Haarlemse kerken en andere gebedshuizen, vroeger en nu, Haarlem 2007]

Zie ook www.eglisewallonnehaarlem.nl