Column Dolf Hellwig

Joods in de Bakenes en omgeving

Tijdens mijn overwintering op Curaçao bracht ik een bezoek aan de Mikve Israël, de oudste Sefardische Orthodoxe Synagoge op het westelijk halfrond. Uit 1732, maar nog steeds in gebruik. Zittend tegenover de bimaplaats, keppeltje op, een vreemde ervaring voor een atheïst, moest ik vooral terugdenken aan onze “eigen” sjoel in de Bakenesserbuurt, die van 1841 tot 1943 aan de Lange Begijnestraat gevestigd was. Ik heb alleen het gebouw dat Enschedé er voor in de plaats zette, gekend.

Peter Kramer, erelid van De Vrienden van de Bakenes, had mij kort voordien het fraaie boekje “Joods Haarlem” van Wim de Wagt ten geschenke gegeven. Het boekje is zeer goed gedocumenteerd en geschreven met de sterke overtuiging dat het nuttig en goed is de geschiedenis van Joods Haarlem vast te leggen. Soms wellen weemoed en verdriet er in op, maar het boekje eindigt met de blije en optimistische vaststelling dat er opnieuw een jonge joodse gemeenschap is in Haarlem. De kehilla (gemeenschap) is weliswaar veel kleiner dan die van voor de shoa, zo’n 150 leden om ruim 1500 begin jaren 40, maar toch. Van die ruim 1500 mensen was overigens maar ongeveer de helft officieel gemeentelid, de rest was “geassimileerd”. Na de oorlog keerden slechts 250 joden naar Haarlem terug. Ik geloof niet dat de Grote Markt destijds vol liep om ze te verwelkomen.
Ook op Curaçao is de joodse gemeente nu veel kleiner dan in de 18e eeuw, toen de synagoge ingericht werd. Er waren destijds wel 2000 joden, nu nog maar zo’n 400, maar de reden voor deze aderlating is geen treurige en schandelijke zoals in Haarlem. Veel joodse jongeren vertrokken van Curaçao om elders te studeren en keerden niet meer terug.
Voor de mensen die nu in de Bakenesserbuurt wonen, is het goed om te weten dat de Bakenes in de 18e, 19e en 20e eeuw een wijk was, waar zich een belangrijk deel van het joodse leven afspeelde. Hier begon het allemaal, toen in 1765 Israël Isacks op het Goudsmidspleintje 6 (hoek Begijnhof) een huis kocht dat werd ingericht als synagoge. Beneden was de mikwe, de rituele badinrichting, boven de kerkruimte. Daarin konden –na een verbouwing- 80 mensen terecht.
Te weinig voor de gestaag groeiende gemeenschap. Met financiële hulp van de eigen gemeente, van de gemeente Haarlem en de provincie, “welke laatste twee immers ook de bouw van rooms-katholieke kerken financierden”, kon in 1841 aan de Lange Begijnestraat de nieuwe, veel ruimere Israëlitische Kerk geopend worden. Ruim honderd jaar later werd er de laatste dienst gehouden: 9 november 1942, daarna was het over en uit voor de synagoge aan de Lange Begijnestraat. De sjoel werd op last van de Duitsers gesloopt; Wim de Wagt is zo kies de naam van het slopersbedrijf, dat ook het gemeentegebouw aan de Lange Wijngaardstraat 14 sloopte, niet in zijn boekje te vermelden. Sommige namen kunnen inderdaad maar beter vergeten worden.
Na de sloop zette de firma Enschedé er een opslagplaats naast voor papier en andere materialen. Nu vind je er niks meer, alleen het windgat van de Toneelschuur, die zich links daarvan bevindt. Alsof een zeer creatieve Haarlemse geest het beste symbool voor de verdwijning van de synagoge en het joodse leven wist te vinden: de absolute leegte. Maar ik weet niet of Joost Swarte die eer toekomt. O ja, er is ergens in de zijgevel van de Toneelschuur aan de Wijde Appelaarsteeg een gedenksteen ingemetseld. Goed zoeken, hoor! Het doet dan goed om te beseffen dat door het persoonlijke ingrijpen van de niet-joodse architect Willem Peereboom de torarollen de oorlog hebben overleefd in een kelder op de Bakenessergracht.
Je hoort vaak dat Haarlem geprezen wordt voor de manier waarop het met zijn geschiedenis omgaat. Misschien is juist het joodse deel van haar geschiedenis de uitzondering daarop die de regel bevestigt. Oké, in het voormalige woonhuis van rabbijn Simon de Vries (Bakenessergracht 46) is ook een gedenksteen ingemetseld, en er is een rechtbankhofje naar de geliefde voorganger van de joodse gemeente vernoemd, maar aan het wellicht belangrijkste gebouw voor de toenmalige joodse gemeente, het pand Wijngaardstraat 14, is van de geschiedenis niets meer terug te vinden. Hier vergaderde het kerkbestuur, er was een mikwe, hier was ook de secretarie, de godsdienstschool, en later, na de inval van de Duitsers, zelfs een bibliotheek en een café. Na de februarirazzia van 1943, toen vrijwel alle joden uit Haarlem waren verdwenen, verscheen opnieuw de al genoemde firma Enschedé ten tonele om het lege en onttakelde pand over te nemen voor “de opslag van goederen..”
Nadien- o, wat gaat Haarlem toch goed met zijn geschiedenis om!- kwam de verkeerspolitie erin, en nog weer later verscheen er het nobele gilde der krakers. Het pand wordt bewoond, maar niets, maar dan ook niets herinnert aan wat het ooit betekende en wat zich hier ooit afspeelde.
Er is nog meer joodse geschiedenis in de buurt; op Bakenessergracht 34 was bijna honderd jaar lang, tussen 1796 en 1888, de joodse Begrafenisverzekering Gemiloeth Gasadiem gevestigd, niks meer van te zien. In het pand rechts naast de Albert Heijn aan de Kruisstraat, waar zich dagelijks vele buurtbewoners uit de Bakenes ophouden, woonde Mozes Joles, de oprichter van het Joles Ziekenhuis aan het Groot Heiligland. Na de oorlog werd het joodse ziekenhuis bij het St. Elisabeth-Gasthuis getrokken, mede op basis van het argument dat “er nu toch minder joodse patiënten te verwachten waren…” Ja, Haarlem, ging en gaat erg goed met zijn geschiedenis om, dat is wel zeker.
En tot slot, in het nabije Ripperdapark, nr. 26, bevindt zich het woonhuis van Opperrabbijn Philip Frank –het moet gezegd, er werd een pleintje naar hem vernoemd en Frank wordt natuurlijk ook vermeld op de gedenksteen die wij allen kennen; Philip Frank, de man die na de moord op een Duitse soldaat op 2 februari 1943 met 9 andere gijzelaars door de nazi’s werd geëxecuteerd. Zou het nou te veel gevraagd zijn om op zijn woonhuis in het Ripperdapark een metalen bordje (koper kan tegenwoordig niet meer) aan te brengen met de tekst: Hier leefde van 1940-februari 1942 Opperrabbijn Philip Frank. Dit was een vraag.