Interviews

'Eigenlijk ben ik een boetseuse.'

Interview met Teus van den Berg

Het is puur toeval geweest dat Teus, geboren en getogen Den Briel, in Haarlem terecht is gekomen. Hier heeft ze haar carrière als beeldhouwster letterlijk vorm gegeven en heeft ze, puur toeval, haar liefde gevonden.
Op een herfstachtige namiddag vertelt Teus over hoe dat zo gekomen is en over haar blijdschap om nu in Haarlem te wonen. Ze praat over haar twee liefdes: boetseren en Jan, haar levenspartner.

Teus in haar atelier aan het Spaarne

Teus in haar atelier aan het Spaarne

Teus vertelt: 'Als Teus Been ben ik in 1926 in Den Briel geboren. Ik heb daar tot mijn 20e gewoond. Daarna ging ik naar de kunstacademie in Rotterdam, dat duurde vier jaar. Daarna ben ik weer in den Briel gaan wonen en ben ik getrouwd met een man die ik op de kunstacademie had leren kennen. Na twee jaar met hem samenwonen in Den Briel, verhuisden we naar Amsterdam. Nee, niet naar het centrum, maar naar Amsterdam West, Slotermeer. Dat stond me helemaal niet aan, dat Amsterdam. Ik was in Den Briel zo gewend dat ik eventjes naar buiten kon gaan om wat boodschappen te doen, maar dat Slotermeer was allemaal nieuwbouw, nieuwbouw, nieuwbouw. Dat viel me dus niet zo mee. Maar het huis was heel aardig. Het was een huis met een tuin, wat in die tijd heel bijzonder was. Een achtertuin én een voortuin. Dat was zeer aan mij besteed. Helaas is toen wel mijn man vrij vlug nadat we in Amsterdam zijn gaan wonen, gestorven en werd ik dus weduwe op mijn 29ste. Maar ik ben daar gebleven en heb mijn weg gezocht."

Op weg naar Haarlemse

Al was ze nog zo jong, al had ze dat nooit kunnen bedenken, Teus richtte haar blik op de toekomst, op haar kunst. 'Ik ben daar gaan boetseren, Dat deed ik natuurlijk al wel, maar op een goed ogenblik heb ik mijn woonkamer tot atelier gemaakt en de slaapkamer boven tot woonkamer. Dat was goed, al was het wel een beetje nauw allemaal. Ik heb daar heel prettig gewerkt en ook heb ik daar opdrachten uitgevoerd. Op een goede dag kwam er een kennis langs en die vertelde dat hij een even een boodschap in Haarlem moest doen. Hij zei: "Ga even mee Teus, rijd even mee naar Haarlem". En dat heb ik gedaan, ik ben meegereden naar Haarlem. En ja, tijdens die rit reden we langs het Spaarne en ik zag dat er daar, aan het Spaarne dus, een huisje te koop stond. "Stop even", zei ik, "ik wil hier kijken. Ga jij maar verder je boodschappen doen. Ik zie je zo wel weer." Ik heb toen even naar het huis gekeken, van de buitenkant natuurlijk en het telefoonnummer van de makelaar opgeschreven. 's Avonds heb ik die makelaar gebeld. Ik kan me niet meer herinneren dat ik toen nog ben gaan kijken, ik geloof het niet. Maar op een gegeven moment belde de makelaar mij op en hij zei: "Als u nog interesse hebt mevrouw, dan moet u haast maken want de gemeente wil het gaan kopen. Ze willen het bij de Waag trekken." Dat was eigenlijk wel een goed plan want het hééft ook bij de Waag gehoord. Nog altijd kun je ook zien waar de deur zat die de directe verbinding met de Waag was. In ieder geval, ik ben toen aan het Spaarne gaan wonen. In Amsterdam vond iedereen me hartstikke gek want als je in Amsterdam woont, als je daar eindelijk een woning hebt, dan moet je wel gek zijn als je dat opgeeft, als je weggaat. Maar ik heb het gedaan en er nooit spijt van gehad, moet ik zeggen'.

Een gelukkie in een bruin café

Na Amsterdam woonde en werkte Teus in haar huis aan het Spaarne.
'Het beviel me goed daar. Het is een aardig huis en ik heb er een aardig atelier gehad. Ik heb er erg veel gewerkt. Ik woonde boven en het atelier waar ik werkte, was beneden. Dat is ook altijd zo geweest. Vroeger was het namelijk een café, een echt bruin café met van die bruine betimmeringen met affiches. Die affiches die daar opgeplakt hebben gezeten, kon je namelijk nog zien, nog lezen zelfs toen ze waren weggehaald. Lichte plekken op een donkere muur. En die muren waren echt heel donker. Van de rook natuurlijk die in al die jaren in de muren was getrokken. Ja, het was echt een bruin café. En daarna bodehuis, maar binnen, daar beneden, zie je nog de sponningen van de deur die toegang gaf tot de Waag.
Ja, dat huis was zeker een gelukkie. Nooit heb ik er één dag spijt van gehad, dat ik daar ben ingetrokken. Het sprak me vanaf het begin meer aan dan Amsterdam. Het had meer iets van Den Briel.' Ze lacht. In Amsterdam zat ik in een nieuwbouwwijk en dat was ik helemaal niet gewend. Den Briel. Dat kon ik overzien, dat kan ik in Haarlem ook. Het is een provinciestad en ook Den Briel is dat natuurlijk, maar dan wel veel kleiner'.

Van de Tropen tot Gent

Met plezier denkt ze terug aan haar werk voor het Instituut voor de Tropen waar ze haar hart en ziel, maar ook haar kennis in haar werk heeft gelegd. 'Zeker 25 jaar, bepaald niet weinig, heb ik les gegeven in het maken van visuele hulpmiddelen voor kennisoverdracht aan mensen die naar ontwikkelingslanden gingen en daar les gaven. Het waren eenvoudige visuele hulpmiddelen hoor, variërend van poppenkastvoorstellingen tot een flanelbord of een dia, getekend. Dat is zo bijzonder, zo interessant, maar vooral ook zo vreselijk leuk, vond ik. En, het breidde zich uit. Zo ging ik ieder jaar een week naar Leuven of naar Gent, daar had je dan een studiejaar, voor die mensen uit die ontwikkelingslanden, net andersom dus. Zij kwamen naar hier en waren dan een jaar op de universiteit en volgden een tropencursus over gezondheidsleer. In een soort werkweek gaf ik dan les aan hen. En ik ben ook in Indië geweest, daar heb ik ook les gegeven. En Afrika, daar ben ik ook geweest. Tja, daar had wel meer ingezeten... Maar ja, ook al heb ik vaak overwogen om het beeldhouwen op te geven voor dit werk en me verder in de kennis van de visuele hulpmiddelen te bekwamen, maar uiteindelijk heb ik toch voor het beeldhouwen gekozen.'

Beeld(vorming) van Little Rock tot Vught

Al was er dus een combinatie in lesgeven en beeldhouwen, ook dat laatste ging Teus goed af. Ze kreeg heel wat opdrachten. De procentregeling waar in die tijd gebruik van kon worden gemaakt, legde haar geen windeieren. 'Werken en lesgeven gingen allebei gewoon door. En ik kreeg gelukkig opdrachten, ook via de procentregeling. Dat hield in dat er bij ieder nieuw gebouw één procent van het totale bedrag besteed kon worden aan kunst. Zo heb ik bijvoorbeeld beelden gemaakt voor scholen en bejaardenhuizen. Bij scholen vaak speelplastieken en bij bejaardenhuizen beelden. Ze staan overal zo'n beetje, maar met name in Friesland, Zeeland en ja, in Zuid Holland natuurlijk. Maar zelfs in Amerika. Ik heb een beeldje gemaakt wat daar een prijs gekregen heeft, 't Meisje van Little Rock'. Dat is een beeldje van een meisje dat voor het eerst in haar eentje naar school gaat. Het is een zwart meisje dat naar een blanke school loopt. Maar ook in de omgeving, bijvoorbeeld in Bloemendaal, staat een beeldje en in het Kennemer Gasthuis. Daar staat het in de hal. En ja, natuurlijk heb ik ook voor particulieren gewerkt.'
Als ik haar vraag of ze ook werk voor Haarlem heeft gemaakt, blijkt dat dat er niet van is gekomen. Vreemd, ze is toch een bekend beeldhouwster. Ze reageert er wat laconiek op.
'In Haarlem heb ik ooit op een open inschrijving ingeschreven. En ik kwam er nog voor in aanmerking ook, ik was gekozen. Maar het kwam er niet van. Ze dachten dat mijn ontwerp nooit voor het beschikbare budget gemaakt kon worden. Eigenlijk was dat natuurlijk mijn zaak, maar zij vonden het een reden om het niet te honoreren. Ik was echter zeer bedreven in efficiënt bezig zijn. Ik maakte een mal en dan kon ik daarmee diverse groottes maken. Ja, ik begrijp achteraf eigenlijk niet hoe ik dat allemaal deed, maar ik deed het wel, en ik wist dus dat het best voor dat geld had gekund.'
Heeft ze een missie, een visie van waaruit ze werkt?
'Wat de speelplastieken betreft kan je zeggen dat ik vanuit een vereenvoudigde vorm werk. Zoals mijn beeld wat in kamp Vught staat bijvoorbeeld is. Dat moest in grote vlakken. Geabstraheerd, zou ik zeggen. Het overbodige weglaten, zo werk ik. Zo heb ik dat monument in Vught gemaakt. Het bestaat uit acht platen. Op de grond ligt verlaten speelgoed dat de kinderen niet mee hadden kunnen nemen. Dat is natuurlijk niet een hoogtepunt van boetseren, dat speelgoed, maar goed...' Ze peinst. Ik vraag of ze het kunstwerk meer kan duiden.
'Er staan acht platen zigzag op de grond. Die platen zijn boven aan elkaar verbonden met Davidsterren. Op die platen staan alle 1296 namen van de kinderen die zijn omgekomen.
Dat is goed, dat wilde ik vanaf het begin zo hebben, die namen. Daarover ben ik zeer tevreden. En dan dat speelgoed, dat is een beetje, ja, hoe noem je dat, een beetje popperig. Ik heb er wat aan geboetseerd, maar je maakt toch speelgoed na. Het is van verschillende leeftijden, dus een bromtol en een vrachtautootje. Wel uit die tijd natuurlijk, en alles ligt er los onder, in brons gegoten. En de bezoekers leggen er meestentijds iets passends bij. Ook de kinderen die komen kijken, leggen er allemaal stukjes speelgoed bij of centjes op stapeltjes. Maar ook knuffels of een vliegtuigje wat een jongetjes nog in zijn zak had. Eén keer in het jaar moet het echt worden opgeruimd en wordt alles weer weggehaald. Maar steeds wordt er weer van alles bijgelegd. Het maakt het kunstwerk niet mooier, maar zeker wel aandoenlijker. Het is een monument dat gebruikt wordt.'

Sonny Boy, vandalisme en de taximan

Ze vertelt over het effect dat het op haar heeft als ze de namen van gevallenen leest op de oorlogsmonumenten in Frankrijk. Dan valt er nog een naam: Sonny Boy. 'Ja zijn vader zat in Vught, maar ook zijn moeder. Beiden hebben in Vught gezeten. Je had daar twee verschillende kampen: een voor Joodse mensen en een voor politieke gevangenen.
Het kamp waar de Joden zaten was bar slecht, heel treurig. Je kunt veel halen uit het boek van Annejet van der Zijl. Daarin staat het uitstekend beschreven, want je kan er natuurlijk een beetje sensatieboek van maken, maar het is allemaal sober en echt gewoon goed beschreven.'
Ze vertelt uitgebreid over Sonny Boy, zijn moedige moeder, haar kinderen, wat het gezin allemaal heeft moeten doorstaan. Het beeld wat ze van Sonny Boy heeft gemaakt, staat in de bibliotheek van Den Haag. Verleden jaar is het door Sonny Boy zelf onthuld. Hij was toen 80 jaar. Teus wilde het beeld aanvankelijk op de boulevard hebben, maar door het toegenomen vandalisme en diefstal is het beeld in de bibliotheek geplaatst. Ze is al lang niet meer verbaasd over wat er allemaal met beelden gebeurt. 'Kleine beelden worden van hun sokkel gezaagd en meegenomen. Grote beelden worden in stukken gezaagd. Die stukken worden direct in een vrachtwagen op gaspitten gesmolten. Ze maken er staafjes van. Het gaat ze om het materiaal, niet om de kunst. Zo hebben ze ooit zelfs bij Singer een paard gestolen, maar kleine beeldjes nemen ze gewoon mee. Een paard van mij is ooit gewoon van zijn sokkel gezaagd en ook hebben ze het beeldje van me gestolen dat op het graf van mijn man stond'. Ze blijft even stil. 'Maar er staan nog genoeg beelden van mij in Nederland."
"Is er een route Teus van de Bé?", vraag ik.
'Ja, door heel Nederland. Ik weet soms zelf niet meer waar allemaal. Zo ging ik een keer met Jan naar een tentoonstelling, met de trein, naar Leeuwarden. Daar aangekomen wilden we een treintaxi nemen. Bij die standplaats stond ook een mevrouw met haar dochter op de taxi te wachten. Ik zeg tegen Jan: "Ik moet hier in Leeuwarden ook nog een beeld hebben staan,
maar ik zou niet weten waar". Ik wist het niet echt niet meer. Wel herinnerde ik me dat het bij een bejaardenhuis moest staan. De taxi kwam en die taximan vroeg of we het niet erg vonden dat hij eerst die mevrouw naar haar woning zouden brengen. We vonden dat prima, dan zien we nog eens wat. Toen de taxi bij haar woning stopte, bleek dat het een bejaardenhuis te zijn en we stonden náást mijn beeld! Ik zeg "Hier staat het dus, dát is mijn beeld!" De taximan vraagt "Wát, hebt u dat gemaakt?" "Ja, zeg ik, dat heb ik gemaakt."
"Wilt u er dan even naast gaan staan, mevrouw, dan kan ik een foto maken?", vraagt hij. "Nou, zeg, daar zijn al foto's genoeg van hoor", was mijn reactie. Maar dan blijkt dat hij die foto wil maken omdat zijn zussen in dat bejaardenhuis hebben gewerkt, eentje werkte er nog, en dat ze het beeldje allemaal zo mooi vonden. Dat beeldje, dat was een trio, met een fluitist, een klavecimbel en een pianist, op een sokkel. Maar goed, ik had mijn beeldje dus bij toeval weer gezien. Eigenlijk wil je dat niet meer, want als je na jaren weer geconfronteerd wordt met wat je ooit hebt gemaakt, dan valt het soms zo tegen. Dan denk je had ik het maar anders gedaan. Maar in dit geval was dat niet zo.'

Een hakker en een boetseuse

Teus in haar atelier aan het Spaarne

Teus in haar atelier aan het Spaarne

We keren terug naar haar atelier aan het Spaarne.
Hoe is ze eigenlijk op de Bakenessergracht terecht gekomen?
'Nou ja, op een goed ogenblik... er woonde een buurman om de hoek en we ontmoetten elkaar bij Teisterbant. Hij was ook beeldhouwer en ik was beeldhouwster, en wij leerden elkaar kennen. Hij vergat op een goed ogenblik zijn sleutel dus toen kwam hij bij mij vragen of hij over het dak eventjes naar zijn huis mocht klimmen..en nou, zo is het aangekomen.'
Ze stopt met praten en lacht, maar daar neem ik geen genoegen mee, ik wil meer weten. "Wanneer was dat dan?" 'Tja, ik denk ongeveer 40 jaar geleden.' Ze lacht weer.
'Maar dat moet je allemaal maar niet opschrijven hoor...'.
Ik vertel haar dat Jan het zelf ook al eens in een interview heeft verteld. Dat trekt haar over de drempel en ze vertelt verder.
'Jan is hier komen wonen toen hij gepensioneerd werd van Teylers. Het was zo dat een medewerker van Teylers, iemand die daar in dat Fundatiehuis woonde, die bleef daar ook werken tot aan zijn dood'. Dus er was geen pensioenregeling of zoiets en toen hebben ze dat huis in orde gemaakt. Een conservator van de kunstafdeling, een man die in dat Fundatiehuis woonde, dat was altijd een kunstschilder. Dat stond zo in het testament.
Dus dit was het huis waar de conservator zijn atelier had. Jan zijn vader, die heeft daar dus ook gewerkt en daarna anderen. Maar Jan was beeldhouwer en hij heeft een beeldhouwatelier, een gebouwtje in de tuin, gehad en daar heeft hij gewerkt. En ik bleef gewoon aan het Spaarne. Jan heeft gehakt, hij is een hakker en ik ben een kleier, een boetseuse.'
Ze lacht om dat woord. 'Zo wonen we dus aan de gracht en we wonen er graag. Wat ik leuk vind, is dat die gracht in de loop van de jaren zo geweldig is opgeknapt. Er is erg veel gebeurd. Huizen zijn gerestaureerd, mooier, luxer. Maar het is vooral ook leuk omdat het een kleine woongemeenschap is. Mensen kennen elkaar en dat is goed. En alles is goed bereikbaar. Even een boodschap doen is makkelijk, maar nu moet ik wel met de fiets, want lopen gaat niet meer goed na mijn knieoperatie.'
Ze vertelt over haar operatie en de last die ze daar nu nog van ondervindt: de pijn, het ongemak. Want ook fietsen blijkt vaak lastig, zeker als je onverwacht moet stoppen op plaatsen zoals bij de Jansstraat, waar nu het verkeer van twee kanten komt.
Hoe ziet haar toekomst eruit, wat mobiliteit betreft?
'Ja, het wordt er allemaal niet beter op. Ik rijd gelukkig ook nog auto, maar als het allemaal niet meer zou kunnen, is er natuurlijk nog de scootmobiel. Af en toe zegt Jan "Ga even op de scootmobiel, Teus, dan kan je even kijken hoe het gaat." Maar dat heb ik tot nu toe nog niet gedaan.'

Nostalgie en zalmbootjes

Teus kent veel mensen. Dat is niet zo vreemd als je bedenkt hoe lang ze al in Haarlem woont. Ook heeft ze zich, naast haar werk als beeldhouwster, voor andere dingen ingezet.
Ze vertelt over de wijkraad waar ze vroeger deel van uitmaakte, over het behoud van de Bakenesserkerk, over zalmschouwen.
'Ja, de wijkraad, dat was erg leuk. Dat is zeker 30 jaar geleden, ik woonde nog aan het Spaarne. De wijkraad had toen een blaadje en daar schreef ik altijd vervolgverhalen in. Over Guppie en Aaltje. Dat waren twee vissen hier in de gracht. En die vertelden dan aan elkaar wat ze beleefd hadden.' 'Wat leuk!', roep ik door haar verhaal heen. 'Nee, ik vind het eigenlijk een beetje flauw achteraf. Ook heb ik nog wel eens poppenkast gespeeld met Hein van der Ham, ook vanwege het wijkraadgebeuren. Ik herinner me ook nog dat er parkeerplaatsen zouden komen op het Begijnhof. Toen had Arie van Gemma (ik weet nou opeens zijn achternaam niet meer), die had bedacht dat wijkraadsleden 's morgens vroeg op de parkeerplaatsen moesten gaan liggen. Dat was omdat er dan geen auto's konden parkeren. Maar daar heb ik niet aan meegedaan hoor.' Ze lacht en vervolgt: 'Nee, ik wilde niet gaan liggen. Ik vond het toch niet helemaal zo'n geslaagde actie. En waarschijnlijk zag ik er ook tegenop om op de grond te gaan liggen. Ja ja, er gebeurde toen best veel.'
Ze mijmert... 'Wie zaten er nou ook alweer in die wijkraad? Ja, Hein van der Ham natuurlijk en Math van Roden. En ja, Arie dus, Arie van Gemma. Die zat altijd vol met ideeën. En Breeman, die was voorzitter. En de broer van Gemma, die was van het zwembad aan het Spaarne. Hoe heette die nou ook alweer?' Ze peinst.. 'Ach, het was een leuke tijd, we hadden veel plezier.'
Op dat ogenblik slaat de Bakenesserkerk: Dong...dong... dong...dong...dong...
Ik refereer aan de inzet van buurtbewoners, waarbij ook Teus, voor het behoud van de kerk.
Het was een spannende tijd, daar zijn we het over eens, en ook dat het die grote inzet absoluut waard was. Ze vindt het fantastisch hoe het met de kerk is afgelopen.
'Maar behalve de kerk is er veel in de buurt gebeurd. Het wordt overal erg mooi. Er zijn mensen komen wonen met geld en dat hebben ze in de huizen gestopt. En wat ook zo is veranderd: de hoeveelheid bootjes die in de gracht liggen. Wij hadden er ook een voor de deur, vroeger, en misschien lagen er nog één of twee, maar dan had je het ook wel gehad. Maar nu is de gracht vol.' Ze schakelt over naar een andere herinnering. 'Weet je wat ik heel leuk heb gevonden? Die zalmschouwen hier in de gracht met de vaardagen destijds. Ik ben in mijn enthousiasme meteen lid geworden van de Zalmschouw [Vereniging tot Behoud van de Zalmschouw, CP] en ik weet er dan ook alles van.' Denkt ze dat zoiets nog wordt herhaald? 'Dat zou wel erg leuk zijn, maar ik denk van niet. Het is te lastig. Toevallig heb ik een maand of drie geleden mijn lidmaatschap opgezegd. Ik dacht opeens: Wat moet ik nou met die zalmschouw? Ik vaar helemaal niet, dus wat moet ik ermee en inmiddels weet ik ook wel alles van.' Ze grinnikt. 'Telkens kreeg ik een bericht over waar ze nu weer naar toe gingen. En ook altijd recepten. Ja, dat was wel leuk. Ik vind het jammer dat er nu vaak ondergelopen bootjes in de gracht liggen. Dat is een treurig gezicht.'

We praten nog wat door over de veranderingen in en aan de gracht, de buurt, over ouder worden, mobiliteit, slecht zien, brillen en staar. Als ik haar vraag of ze slecht zit omdat ze zo zit te schuiven, ontkent ze dat. Ze zit goed, zegt ze, maar wil graag op huis aan, naar Jan, ze is immers al een paar uur van huis!
We sluiten het interview dan ook af en ik bedank haar voor haar openhartigheid en tijd. Ik beloof dat ik haar het interview vóór publicatie zal laten lezen. Ze heeft haar jas al aan, is bijna de deur uit als ze zich omdraait en zegt 'Wel een beetje sobertjes hè?'
Ik heb het geprobeerd, maar hoe kan het sobertjes met zo'n markante vrouw!